door de eeuwen heen

evolution-24560_640

Naar een idee van Marion Driest .

Een wandelend zeswoodverhaal doorheen de tijd én de politiek.

 

Advertenties

L’automne est le printemps de l’hiver. (De Toulouse-Lautrec)

inCollage_20181106_165651959.jpg

Ik trek ogen en gordijnen open en voel, zie ‘dit wordt een fijne dag’.
De zon straalt, de lucht staalt blauw, de herfst geurt het gekleurde blad, de rustige natuur en natuurlijke rust dwingen me naar buiten.

Plots overvalt me de droom dat vliegen naar de zon écht moet lukken vandaag.
Die grote ster staat immers laag en groet me stralend  als mijn gelijke.
Geel, blauw, groen, rood wordt mijn dag.

Een vaag schuldgevoel omdat de mede-mens verplicht deze dag binnen moet doorbrengen doet me -heel even- twijfelen. Een gevoel van medelijden met de bewoners van het ziekenhuis of rusthuis iets verderop is ook daar. Maar vooral een blij gevoel van vrijheid en verdiend genieten overwint en sleurt me naar buiten, daar waar  kleuren de baas zijn, waar licht omhelst, waar vriendschap verwarmt, waar terrasstoelen  uitnodigend staan te blinken voor een rustpuntje (*), waar het fijn vertoeven is, waar het stil en mooi is, waar ik gedachten de vrije loop kan geven of de kop indrukken.

Even waan ik me Icarus, en wil dicht bij de zon vliegen. De zon, mijn zon, mijn schitterende ster!
Ik voel me licht en vrij, de dag geeft vleugels.
De Griekse mythe, gehoord en gelezen ergens in een vorig leven, houdt me echter met mijn voeten op de grond. Teveel  zelfvertrouwen brengt geen rust, dan verbranden die vleugels en stort je neer.

Een fikse wandeling staat op het programma, het vallend blad zorgt voor milde melancholie, verleden en toekomst fladderen door het hoofd, mijn vleugels smelten niet, ze helpen me soepel zweven doorheen toen, nu en dan.

Ik stap, wij stappen, ik ruik, wij ruiken, ik babbel, wij babbelen, ik stroom mee met de brede Schelde, wij stromen mee, ergens tussen golven en zon.

Liedjes van de herfst zijn altijd somber,
zijn gemaakt van okers en van omber.
Toch ken ik septembers met een gouden glans,
Toch zijn er novembers met een toverdans.
De zon heeft in december mij al zo vaak verrukt
en dikwijls heb ik rozen uit de sneeuw geplukt.
En daarom schrijf ik dit kleine lied,
niet wachten op de lente, want dan komt ie niet.
Toon Hermans

Op deze novemberdag met gouden glans doe ik mijn toverdans in de verrukkelijke zon, ik zoek de roos, en schrijf dit lied.

(*) Graag vergeev/t ik het akkefietje met een ouder koppel dat buiten wil zitten en  voet bij stuk houdt dat het ‘tocht op het terras’, omdat onze deur open staat, een deur die ons laat genieten van de fijne binnenstoelen  én de gezonde buitenlucht, net op die grens?!
Ik probeer te begrijpen, maar help…… het lukt me niet?