vallen en weer opstaan

Snel spring ik de winkel binnen.
De toog vol lekkernijen.
Die kleine Sintjes en Pietjes
Moet ik zeker nog kopen
Want zondag komt hier
De échte Sint binnenlopen
Met  -jawel- zijn donkere Miet
En het stoombootlied
Om elf kinderhartjes te verblijden

Ik bestel
Met 14 kom ik er wel
De winkeljuffrouw pakt voorzichtig in
Want een gebroken Sintje
Of Pietje
Daar komen traantjes van
Daar snapt het kind geen jota van

Geduldig wacht ik
Tot die boenk
Buiten
Een oude dame ligt tegen de ruiten
Hopeloos
En hulpeloos
Ze beweegt
Oef
Ik help haar recht
Ze is uitgegleden
Over de natte regen

De kluts die is ze kwijt
dat is ’t waar z’onder lijdt
Vuil
Een ferme buil
Eenzaam en verlaten
Ze kan terug praten

Ze vertelt haar verhaal
Dit is niet normaal
Want z’is mama van zes
Maar krijgt nooit bezoek
Geen telefoon, noch SMS
Ik heb met haar te doen
En veeg gelijk ’t slijk van haar schoen

Niet fair
Dat je na jaren van geven
Alleen op de wereld moet leven
“Geld he madameke
Daar zit ’t venijn
Leven in armoede en pijn”

Ik help haar recht
Een tweede keer met woorden
Daarna trek ik naar droge oorden
Hoe hard
En zwart
Een flard
Van smart
Kunnen de dagen zijn
Het luisterend oor
Was misschien een fijn medicijn
Tegen schrammen
En ongelukkig zijn