oma-rmen

De donkere herfstdag nodigt uit tot weemoed. Buiten is alles grijs, grauw en nat. Druppels vallen en blijven vallen, stortbuien en motregen wisselen elkaar gestadig af, ik lees wat, kook wat, was wat, strijk wat, maar beweeg niet wat….
Het is rustig in huis, te rustig en dan duikt onverwacht ‘een dromerig stil  verlangen naar’ op.

20191111_1601326261105867615667412.jpg

Het tegeltje is een fijn cadeautje voor deze oma van de kleinkinderen.

Ik neem de woorden letterlijk, ook ik had een heel bijzondere oma met grijswitte lange haren die ze elke dag trouw opstak in een knotje, de geruite schort voorgebonden, want zo hoorde het, een eeuwige mildheid in haar mooi bruine ogen, de glimlach rond de mond. Ze zag ons graag, heel graag, een fiere madame die zich nooit zonder de nodige lipstick  buiten waagde. ‘Want dan zie je er zo oud en flets uit’.

Als kind gingen we er logeren, ze nam ons  graag mee naar het grote park en Peerdsbos in Brasschaat, haar groene buren. We gaven dieren fris  gras, voorzagen eendjes  van oud brood (was toen nog geen misdaad, dachten we), speelden verstoppertje in het grote bos, waar duistere spoken en lieflijke feeën verdwaalden.

In het kleine huisje, waar vijf kinderen werden groot gebracht, zaten we in het kleinste kamertje rond de Leuvense stoof. Hoe meer haringen in de ton, hoe meer vreugd.
Twee grotere plaatsen vooraan werden omgetoverd tot ‘de mooie kamers’, sporadisch konden we er een blik in werpen, het porselein stond er te blinken, de vleugelpiano wachtte geluidloos, enkel voor de wekelijkse poetsbeurt gingen de kamerdeuren even wagenwijd open.

Er was die enge kelder, waar altijd een lekkere voorraad snoepjes op ons wachtte, suiker stond  vrij hoog in haar vaandel, je werd er sterk van, je kreeg energie én moed om toch de donkere ruimte op de tast in te stappen, een klein lantaarntje in de beverige kinderhand.
Ze bakte tongskes voor ons in goede boter, niets heerlijker dan dat, de vetten bleven een vast begrip in haar woordenboek, en dank zij of ondanks mochten we haar 95 jaren vieren.

Slapen deden wij op de zolderkamer, drie zussen samen in het  tweepersoonsbed, en het was heerlijk (warm). In de winter versierden  rijmbloemen het binnenraam. We vlogen dan het bed uit,  de ijskoude trap af, om ons beneden bij het gezellige vuur – daarvoor stond ze ruim intijds op- aan te kleden, na de kattenwas aan de pompsteen in het keukentje van 1 m². Je kon er draaien, noch keren. Lekker vette spek met eieren stond klaar, haar woorden ‘je moet eten voor de honger die komt’ zijn legendarisch.

Samen met het ouder worden nam ze ons met de bus mee naar ” ’t stad”. Geen groter feest konden we bedenken. De Inno was de vaste stek voor het koffietje en een grote crème glace  met veel crème fraiche, in een ware coupe.
“Niet vertellen aan  de mama,  meisjes”.

Met heimwee denk ik aan die fantastische logeerpartijtjes, nu ben ik zelf oma.
Ik denk ‘wat een luxe hebben we nu’.
Ik weet ‘verwennen mag’.

“Ik vroeg mijn oma tips om elegant oud te worden, maar ze zei dat ze nooit oud is geweest”, lees ik in de fijne Loesjeskalender, die vriendin me zo lief bezorgde.
Voor elke dag in 2020 een knappe waarheid met een groot tikkeltje humor.