Doden komen tot leven

De zoon vertelt hoe hij in Indonesië een man, één doodsjaar oud, heeft bezocht.
Ik schrik en vind het eng klinken.

Gisteren zag ik de documentaire  van Lieve Blancquaert.
De laatste reeks van de drieluik over het leven : Birth Day; Wedding Day en nu dus ook Last Days.
Ik kan haar best smaken, ze fotografeert treffend, spreekt aangenaam, én  heeft mijn voornaam!

Last Days zijn de enige zekerheid voor élke mens, daar horen verhalen, rituelen, beelden, angsten, verdriet bij. Cultuurverschillen zijn vaak groot.

Ik nam  afscheid van meerdere lieve mensen. Heel graag wilde ik dicht bij hen zijn, maar telkens opnieuw werd het een harde confrontatie en kon ik me niet verzoenen met dit laatste onbeweeglijke beeld. Ze lagen er nochtans mooi en naturel bij.
Maar die ijskoude huid en gesloten ogen zorgden  telkens voor een schokeffect, dat ik moeilijk kon verteren en dat hardnekkig in mijn hoofd blijft malen.

Gisterenavond dus zag ik het ‘anders’ : op het Indonesische eiland Sulawesi bewaren ze de doden, soms gedurende meerdere maanden tot jaren. De gebalsemde lijken zijn niet dood, maar ziek en worden thuis opgeborgen in open kisten, krijgen eten, nieuwe kleren, aandacht en liefde, ze worden gekoesterd en verzorgd, ze leven samen in en met het gezin.
Het eerste zicht was erg luguber,  vaak was er  al enige ontbinding merkbaar.

Mensen sterven pas op de begrafenis, die gepaard gaat met een groots ritueel.
Dierbaren worden liefdevol ‘opgekuist’, mooi gekleed. Nog een laatste foto met de dode tussen hen in wordt getrokken, buffels worden geofferd op een wrede manier  als ‘vervoersmiddel naar de overgang’.
Dan gaan ze definitief de kist in, voorzien van eten, geld en cadeautjes.
Hele families worden geplaatst in de rotsholte.
Twee man is  9 maand bezig met het uitbeitelen van een holte van 2 bij 1.5 m. Om dan nog te zwijgen over de vele gangen naar  de voorouders.

Ze begraven de baby’s in bomen, omdat ze nog te gemakkelijk kunnen beïnvloed worden door boze geesten.

Soms moest ik de ogen sluiten, de ‘levende doden’ waren akelig om zien, de buffels werden afgeslacht met een kapmes door de keel en het duurde even voor ook zij echt dood waren.

En toch, toch vond ik het iets ‘troostends’ hebben, je als dode nog écht geliefd voelen (zonder weten)  in het ouderlijke huis. Doden horen daar bij het gewone leven, kinderen hebben geen angst, er blijft nauw contact. Er wordt gestreeld en gesproken.

Wij baren onze doden op in lijkenhuisjes, het schept afstand.

Nog altijd heb ik  ergens spijt dat ik mijn eigen vader niet hier thuis heb gehouden, die paar dagen voor de begrafenis. Nooit is deze optie voorgesteld, ik had geen flauw benul van die mogelijkheid en was ook een tijd (letterlijk) van de wereld.
Maar dit blijft sluimeren…. Kunnen we niet beter natuurlijk leren omgaan met de dood?

Advertenties