de waarheid

komt uit de kindermond.
En daar de kleintjes zelf nog niet kunnen schrijven, en oma net wel, en zij misschien vergeten, maar oma kan ‘vereeuwigen’,  en zij nog zo heerlijk spontaan zijn, en oma op de woorden let, en zij….., en oma…..

Joepi, we gaan op reis!’

‘Is het nog ver rijden?’ (na twee van de 130 km)

‘Omaaaaa, ik heb buikpijn’ (ventje wil  een koekje?)

‘Omaaaaa, ik heb nog meer buikpijn’ (ventje verveelt zich op de lange rit?)

‘Omaaaaa, ik moet overgeven’ (daar trapt deze oma niet in, maar zoekt wel een zakje)

‘Help omaaaaa’ (ventje spuwt auto, oma en zichzelf onder. Oma vindt drie zakjes mét gat, bij het vierde zakje -rijkelijk te laat- ontbreekt dit – gelukkig)

‘Omaaaaa, ik wil andere kleertjes’. (uiteraard, ventje, als opa kan stoppen op een parking. Maar deze oma heeft niet veel extra mee….)

Oma, het stinkt hier‘ (dat gaat wel weg, troost ik het andere ventje, het blijft dapper geuren…)

‘Wat een groot vakantiehuis?’ (we bewonen slechts één kamer, vier bedjes op rij)

‘Dit is zo’n leuke dag, omaaaaa’

‘Omaaa, ik durf niet in het sprookjesbos’ (Toch wel ventje, sterke opa en dappere oma gaan jullie beschermen)

‘Zo leuk in de Effeling’ ( neen ventje, met t)

‘Dat wil ik ook zien’ , ‘oma, nog een keer’, ‘zo superleuk opa’, ‘dit is de leukste dag van mijn leven’, ‘gaan we daar ook nog op?’, ‘krijgen we een ijsje?’, ‘mag ik op het paardje?’ en ‘oei oma, dat gaat op en neer’

‘Vuur en waterdolfijnen’ (hij bedoelt fonteinen)  ‘zo mooi!’ 

‘Moeten we nu al gaan slapen’ (het is pikkedonker buiten en veel te laat)

‘Met vier in bed’ (omgekeerd, in vier bedden)

‘Ik ga niet kunnen slapen, oma, na zo’n leuke dag’ (Toch wel ventje en ik hoor hem ronken)

‘Hoe heet dat oma’ en ‘mogen we echt zelf kiezen?’ (dat heet ontbijtbuffet)

‘Mag ik nog een croissantje hallen?’ (Ja hoor ventje, maar dan moet je hem ook helemaal opeten)

‘Gaan we terug naar de Effeling’ (Neen ventje, met t. Vandaag gaan we naar een speelboerderij

‘Is het ver rijden?’

‘Ga ik terug overgeven?’ (twee keer neen)

‘We gaan toch nog niet haar huis?’

‘Hier zijn ze rijk, oma, een grooooote binnen-, buitenspeeltuin en knusselzolder’ (met t, ventje, en opletten voor je armpje in de gips)

‘Ik zal helpen opletten, oma’ (ventje zonder gips)

‘Ik wil een verkeerslicht knusselen’ (met t, ventje. Opa zal nagels slaan en houtjes bewerken, jij mag schilderen)

‘Gedaan’ (maar neen, ventje, je moet veel meer kleurtjes geven) ‘Maar oma, ik wil gaan spelen’ (oké hoor, ventje, maar niet te wild, denk om je arm en broertje zal meedenken)

‘Oma, wil jij nog iets knusselen voor broertje, dat morgen drie jaar wordt?’ (ja hoor ventje, met t, handige oma zal een poging wagen)
‘Omaaaa, ga jij het verven ook? Wij spelen liever buiten’ (oké dan maar)
‘Oma, je slaat de nagels krom’ (oma kan ook niet alles he, oma en nagels, geen handige combinatie, maar ik fiks wel iets voor het broertje)

IMG-20180820-WA0000

 

‘Oh super oma, wat ben jij goed’ (de pluim doet goed, na 20 schuine nagels, 2 blauwe duimen, een half uur zweten en 2 splinters (met t) en ondanks handjes die niet op zijn plaats blijken te zitten. Het is een sprookjespop, ventjes!)

‘Gaan we hier nog lang blijven oma? Het is hier suuuuuperleuk’

‘ Krijgen we een ijsje, opa, ik zweet’

‘Opa, kom je helpen duwen?’

‘Oma, we hebben gevoetbald met die kindjes daar’

‘Oma gaan we kijken naar de fietsjes’ (een mountainbike -traject voor kinderen)

‘Mag ik ook proberen?’ (ja hoor, ik zal helpen bij die eerste te steile helling)

‘Oma, het is echt moeilijk hoor, ik wil geen tweede keer’ (hoeft niet hoor ventje, je bent nog iets te klein, en broertje slaakt een ‘oef’ met dank aan zijn gebroken armpje, hij hoeft geen poging)

‘Gaan we nu al naar huis?’

‘Is het nog ver rijden?’ (na 2 van de 100 km)

‘Het was superleuk, oma! Het was superleuk, opa!’

‘Mogen we nog een nachtje thuis logeren?’ (ja hoor ventjes, en morgen vieren we dan het feestje van het broertje dat drie wordt en nog niet mee mag, want ‘met vijf in bed’ lukt net niet)

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties