Dromen zijn bedrog, maar toch…. toch….

Terwijl  de oorlog om de Brexit hevig woedt, vertoeft manlief in Londen, waar hij zijn oude job met nieuwe hobby-uitdagingen prettig combineert.
We leven even samen in SMS en het woord. ‘Eenzaam’ blijf ik achter, genietend van het licht, de ontluikende knopjes, de (voor mij brood-)nodige uitstapjes.
Ik ben graag alleen in het te grote huis, overschotje van een ooit-vijfkoppige bemanning; maar een dag zonder gezellige babbel lukt me -nog altijd- niet…
Een mens is een sociaal dier.

Dag en nacht vormen een doorlopende twee-eenheid, dus ook ’s nachts ben ik hier momenteel de enige stoere huisbewaker, sinds onze dappere kater het definitief opgaf.

Twee nachten heb ik ‘gewaakt’.
Of toch niet?
Eerlijk gezegd mocht ik twee keer op rij een intens warme droomwereld binnen stappen. Drie mensen, diep in mijn ziel verankerd, passeerden ‘leven’dig de revue, hartverwarmend, sterk herkenbaar, zoveel innige liefde was voelbaar, van hen voor mij en omgekeerd.
Verwend door een stralende lentezon mag ik telkens opnieuw blij en vrolijk, heerlijk opgewarmd door prachtige  herinneringen de maartse dag instappen…..

Vanwaar die intens mooie dromen over toen en daar?
Waarom nu pas, na vele jaren nachtelijke stilte?
Hoe komt het dat  ze me allen  nacht na nacht verwelkomen?
Vanwaar die  warme blijheid in ochtendlijke uren? (ik ben geen morgenmens, enig humeurtje is me  niet vreemd, man en kinderen weten en begrijpen)
Een kleine drie weken geleden begon alles met https://omabaard.wordpress.com/2019/03/01/het-vers-valt-niet-ver-van-de-droom/

En dat blijft zo heerlijk  duren!

Geluk is de verleden tijd herlevend door de dromen in een onhoorbare branding van beelden.” (Lucebert)

Het vers valt niet ver van de droom (**)

Ik werd heel langzaam wakker, ik wreef mijn ogen uit (*)
geen daglicht buiten, noch enig ochtendgeluid
vaagweg heel pril vogelmuziek
overgeleverd aan pure mystiek

Met jou heb ik de nachtdroom doorgebracht
zo heerlijk levendig jezelf, vrolijk en zacht
in geuren en kleuren vertelde je je verhaal
over wat je overkwam, lief loyaal

Heel graag wilde ik met je verder gaan
ik dwong mezelf niét op te staan
en wentelde me weer gezellig in die waan
jij wees me vlot de dromenrichting aan

Je verhaal ging over toen, die angst en pijn
en hoe je nu zo blij mag zijn
je wilde me heel graag nog even spreken
en gaf een rust en vrede teken

Ik werd heel langzaam wakker, ik wreef mijn ogen uit (*)
een blije lach, die slingert nu vooruit
zo hemels,  met jou, die lange nacht
zo prettig, zo heerlijk onverwacht

Mijn dag kan niet meer stuk
ik pluk zovéél geluk
fijn je nog eens zo dicht te mogen treffen
op jou wil ik  graag het vriendenglas heffen

(*) gestolen uit ‘de eerste sneeuw’ van Jan De Wilde

(**) Woorden van Karel Jonckheere (Vlaams schrijver)

Even karamellen over die  droom waarbij ik een vriendin, die bijna 8 jaar geleden -veel te vroeg- overleed,  zo levendig terug ontmoeten mocht.
Ik slaagde er écht in mijn heerlijke droom verder te zetten, gewoon verder de nacht in, haar weerzien maakt mijn dag fijn. 
Héél graag wil ik er hier snel over schrijven, vooraleer het gevoel terug vervaagt, want zo gaat het vaak met dromen…
Hallo dag, hoe stralend kan je zijn!

 

 

Dromen zijn bedrog??

Als kind hield ik vaak een dromen-dagboek bij.
En het werkte!
Steeds beter leerde ik mijn dromen  vangen en uiteindelijk kon ik élke droom onthouden en neerpennen in een schriftje.
Oefening baart echt kunst!

Een tastbare dreamcatcher met draden en kralen had ik hier niet voor nodig, zoals de traditie van de Indianen vraagt, een spinnenweb om de goede dromen te vangen, binnenin een opening om de boze dromen te laten verdwijnen.

Ik blijf ze strikken, die dromen. En slaag erin ze (soms) wonderwel te koppelen aan mijn bewegen doorheen de dag.

Ik kom binnen op een feestje, loop wat eenzaam rond, er is  weinig bekend volk, tot ik plots mijn vriendin ontdek, ze ziet er stralend uit met een kopje donkere krullen. Ik omarm haar stevig, gemeend, hartelijk, ik ben zo blij ze nog eens terug te zien, na zes jaar afwezigheid. Ik overval haar met vragen….
‘Hoe stel je het?’
‘Heel erg goed’
‘Zo leuk om horen. Je ziet er prachtig uit. …….En…… is mijn moeder daar ook?’
‘Ja hoor, ik ken haar’
‘En is ook zij gelukkig’
‘Ze voelt zich heerlijk daar’
‘Doe je haar mijn groetjes?’
Opgetogen  stap ik de dag binnen, het warme gevoel blijft nog even mijn beste maatje.
Die droom voelt intens zacht aan.

Ik ben terug aan het werk. Mijn leerlingen hebben examen. Ik moet toezicht doen, maar…. ontdek het te laat, in een poging te redden wat nog kan, zoek ik in de wirwar van informatie het juiste klaslokaal op.
Het lukt me moeilijk, en na veel tijdsverlies ontdek ik een vreemd klasnummer.
Help, ik ken het nummer van deze ruimte  niet? Zijn er zoveel nieuwe lokalen bijgebouwd, sinds ik daar weg ben??
Iemand helpt me op weg door een kluwen van gangen en onbekende gebouwen. Onderweg kom ik mijn studenten tegen, ze hebben het examen al afgelegd. Op mijn vraag wie het toezicht dan heeft gedaan (voor mezelf hopend op een lieve collega), komt de simpele reactie ‘een bevriende student….. en hij deed het eerlijk’ .
Ik word boos, zeg dat ‘dit niet kan’ en dat ‘het examen moet worden overgedaan’.
Op mijn kousenvoeten klop ik aan bij de directie om te melden dat ….. het mijn fout is…..
De veeg uit de pan blijft me bespaard, want ik ontwaak -verward- uit de nare droom….