Ik hap naar adem

Gesloten en kleine ruimtes vermijd ik steevast.
Vele jaren lang, of was het gans mijn leven?
Daar neemt de doodsangst het van me over, gaat mijn hart in complete overdrive en overheerst een beangstigende  hyperventilatie.

Drie jaar geleden stap ik de ruim 1,5m² lift binnen, die me naar de zolderverdieping brengt waar zoonlief een toneelvoorstelling speelt. Ik aarzel, maar lastige spieren protesteren en  vele trappen schrikken af.
Ik overman me, is dit niet de juiste therapie?, maar net voor ik de vooruit-knop wil drukken, dringen last-minute  vijf  mensen de benauwde ruimte binnen, ik voel me één van de haringen in die ton.
Vrolijk negeren ze het bordje ‘max 4 personen’, zeggen ‘lekker warm bij elkaar‘ en ‘ dat stoere liftje overleeft het wel, nu wij nog‘ en andere ‘grappige’ woorden.
Ik krimp in elkaar, wil me hieruit verlossen, maar de deur sluit en de lift zoeft lang-zaam richting omhoog. Tot……
Hier hangen we dan, gezellig bij elkaar, we kunnen alvast niet omvallen” en “oh zo grappig, we zorgen zelf voor een toneelspel“….
Ik begin te huilen, te hyperventileren, te panikeren, te zweten, te happen naar lucht.
Mijn man is dokter, je bent veilig“, meen ik ergens nog te verstaan.
Ik sluit de ogen, en probeer hopeloos weidse grasvelden te visualiseren, de tranen blijven stromen, ik blijf happen.
Twintig minuten duurt de kwelling, plots voel ik beweging, zwijmelend strompel ik naar buiten, niet meer tot in de zaal.
Ik hap naar lucht, de frisse lucht.
Dit was mijn hel!
Nu stap ik eindeloze trappen naar boven, sluit nooit meer een vreemde toilet af waar geen ontglip-ruimte  is en kies overaltijd het ruime sop.

Sinds 23 juni zitten 12 voetballers en hun coach vast in een grot in Thailand.
Geen licht, geen eten, drie km diep.
Ik hap naar adem.
Op 2 juli worden ze gelokaliseerd,  verzwakt, maar met de glimlach (althans voor de foto), de moessonregens hebben hen opgesloten in de grot, hun grot, de afgesloten ruimte.
Ik hap naar adem.
Hulp duikt overal op, grote hoed af voor de hulpverleners en duikers, die het eigen leven riskeren. Voor één reddingswerker werd het fataal. De anderen doen moedig verder. Het wordt een race tegen de tijd, tegen de regen, tegen de algemene verzwakking.
Ik hap naar adem.
Vier jongeren zijn ondertussen gered, de anderen moeten nog een extra  dag afwachten. Het zuurstofgehalte is onvoldoende. Ze blijven af-gesloten van de buitenwereld, op-gesloten in hun grot, waar geen daglicht komt.
Ik hap naar adem.
Ik visualiseer vooral niet hoe zij al die tijd vertwijfeld wachtten en wachten, hoe vreselijk ouders zich hierbij voelen, hoe de – hopelijk laatste- lange nacht voorbij moet schuiven, hoe de angst voor die laatste reddende actie hen in de ban houdt.
En hoe moet de coach verder met zijn leven? Met zijn schuldgevoel? Met zijn angst?
Ik hap naar adem.

Advertenties