De antiheld

Jij kan zomaar het leven van iemand redden! Gewoon door bloed, plasma of bloedplaatjes te geven. Het vraagt amper een klein uurtje van je tijd.”

Reeds twee jaar ben ik trouwe bloedgever, altijd een fijn gevoel voor mij én de onbekende ontvanger (hoop ik).
Op de affiche lees ik de woorden, een smekend  telefoontje helpt me over de streep, ik ga plasma doneren.  Een fluitje van een cent, en blijkbaar broodnodig, zeker in Coronatijden.

Als een Romeinse koning vlei ik me languit op de rode zetel. De prik volgt, dat deert me niet, ik ben en blijf een held. Mevrouw achter het mondmasker geeft uitleg, ik begrijp de vele buisjes, die stilaan rood kleuren, de motor waar het grijsgele plasma gecentrifugeerd wordt, en het bloed dat vervolgens weer onder mijn huid kruipt.
Ik lig comfortabel , enkel pluche ontbreekt op de troon, van waaruit ik een prachtig zicht heb op het – ondanks alles- levendige stationsplein. Ik sluit de ogen en geniet van de rust, de afwisseling tussen rood geven en krijgen, de enige opdracht is een balletje knijpen.
Het mondmasker vraagt geregeld of het lukt. Uiteraard, natuurlijk, evident.

Ik ben over halfweg, opvliegers overstelpen me, of is het de zon die schittert door het grote raam?  Het zweet barst me uit. Het mondmasker legt snel de zetel in ligstand, en geeft me een cola,  val ik daar toch een beetje van het gedroomde voetstuk?
Suiker moet de boel hier oplossen. Het koele blikje helpt verademen.
Ik knik geruststellend, het gaat beter.
Tot oren hard beginnen suizen, en zwarte plekken voor de ogen dansen, ik voel me wegglijden, kan nog net ‘mevrouw’ fluisteren.

In de verte hoor ik mijn naam, meerdere keren. Beduusd kijk ik vier mondmaskers recht in de -resterende- ogen, die me langzaam terug tot nu verplichten, ik luister gedwee, gewillig en gehoorzaam.

Drie koeken, nog meer cola en een lieve bezorgdheid helpen me er bovenop, mijn maag klotst van het sprankelend goedje, ik krijg een zakje tegen de kots, die zich, net als ik, gewillig houdt.

“Is alles nu voor niets geweest?” De geruststelling volgt, 90% bruikbaar plasma heb ik nog bewust gegeven, daarna gingen naald en geest er stante pede uit.

“Niet bang zijn, een tweede keer gaat vaak vlotter”. Ik knik braaf, maar denk het niet.

De verdere dag lig ik in de zetel in de zon zonder uitzicht op het plein, zonder koninklijke sensatie, het blijft lichtjes tollen in het hoofd, ijle golven van anti-held-besef overspoelen mijn geest en lichaam.